Wintertarwe

ALGEMEEN

Tarwe is wereldwijd het meest geteelde graangewas gevolgd door rijst en maïs. Enerzijds vanwege de grote vraag (tarwe voorziet 21% van de mensheid van voedsel), anderzijds door zijn hoge opbrengst. 5000 jaar geleden is deze plant voor het eerst in onze regio aangekomen vanuit het Midden-Oosten. De tarweplant behoort tot de grasachtigen net zoals maïs, rijst, gierst etc. en wortelt uitgebreid tot 1 meter diep. Op de stengels zitten bladen die bestaan uit een bladschijf en bladschede. De aar bevat de korrel. De tarwegroei bestaat uit 2 fases; vegetatieve fase (kieming, spruiten en bladvorming) en de generatieve fase (korrelvorming en korrelvulling). Er bestaan verschillende rassen met elk hun eigen toepassing; voor pasta’s, voor het bakken van brood, als veevoer, etc..

 

KLIMAAT

Ook voor tarwe zijn weersomstandigheden erg belangrijk voor een optimale groei en dus hoge opbrengst. In de periode van stengelstrekking zorgt droogte voor een lagere opbrengst. Blijft het weer in de maanden april en mei erg nat dan ontstaat er kans op bladvlekkenziekte. Bij wisselend vochtig weer in mei tot juli treedt Aarfusarium op, productie van mycotoxines. Bij windstoten in combinatie met zware buien vindt Legering plaats doordat natte aren topzwaar worden en de tarwe vervolgens moeilijk te oogsten is. Bij aanhoudend nat weer kan er soms pas in september worden geoogst omdat maaidorsers geen nat graan kunnen oogsten en dat kan vervolgens gevolgen hebben voor de rotatie met andere gewassen. Kwakkelweer in november tot maart geeft kans op opvriezen van de wortels.

 

GROND

Tarwe wordt geteeld in een rotatieteelt van 1 op 6. De grondsoort bepaalt de keuze van het ras en daarmee de bestemming van het product. Zaaibedden op zwaardere gronden moeten voldoende fijn zijn en de grootste kluiten mogen niet groter dan 5 à 7 cm. Een te grof liggend zaaibed geeft problemen bij het onderbrengen van het zaad en daarmee een lagere opkomst. Een bodemherbicide werkt minder effectief en soms ontstaat er schade door slakken. Voor een goede kieming is voldoende vocht en zuurstof nodig. Een goed zaaibed bestaat uit een gelijkmatig en goed verkruimelde losse toplaag, ongeveer 3 cm dikt, als bescherming voor de korrel en voor het optimaal doorlaten van lucht en water. Daaronder een vastere ondergrond voor voldoende vocht voor de kieming van de tarwekorrels. Een droge (en grove) bovenlaag geeft vaak een onregelmatige en ongelijktijdige opkomst en leidt gemakkelijk tot een ongelijkmatige ontwikkeling van de planten. Op slempgevoelige gronden moet een enigszins grovere structuur worden aangehouden omdat de bovenlaag door regenval gemakkelijk kan dichtslaan en de zuurstofvoorziening daardoor in de knel komt. Vooral de ontwikkeling van de kiemplant wordt dan geremd, met een negatieve gevolg voor spruit- en aarvorming. De akkerbouwgronden van De Meerhof voldoen volledig aan de voorwaarden voor een optimale groei.  

 

DE TEELT

Wintertarwe heeft een koude periode nodig waardoor de plant in rust gaat. Bij warmer weer begint het te groeien en kan dan al met een week boven de grond staan en ziet er dan uit als gras. De tarwe stoelt uit, er groeien dan meerdere stengels uit 1 zaadje. De tarwe wordt ongeveer 70 cm hoog en in de aar komen na de bloei, de nieuwe tarwekorrels. De tarwe verkleurt vervolgens langzaam van groen naar geel. Als de aren gaan knikken (buigen) is de tarwe rijp.

Er worden uitsluitend geregistreerde rassen geteeld en goed gekeken naar teelt op kleigrond. Ondanks de bekende eigenschappen kunnen de onderlinge verhoudingen tussen de rassen van jaar tot jaar sterk verschillen, door het al dan niet voorkomen van ziekten en plagen, het plotseling optreden van nieuwe fysio’s, door strenge winters, door legering etc. Rassenspreiding (meerdere rassen per bedrijf of regio) kan calamiteiten voorkomen en risico’s verminderen. 

Om schade door langdurige droogte te beperken worden vochthoudende maatregelen voor de grond genomen. Er worden inmiddels ook proeven gedaan met genetisch gemodificeerde droogteresistente graangewassen. Door eerder in te zaaien worden de negatieve effecten van kwakkelweer beperkt maar die mogelijkheid hangt natuurlijk af van de oogst van de voorvrucht en van de weers- en bodemomstandigheden.

 

ZAAIEN

De wintertarwe wordt gezaaid vanaf oktober tot half december in dunne rijen nadat eerst de aarde is losgewoeld en geploegd. Na het zaaien wordt er kunstmest in droge vorm over de tarwekorrels gezaaid. Herbiciden en insecticiden worden gespoten als de plantjes ontkiemd zijn, dit al na enkele weken. Het moment van zaaien is van grote invloed op de gewasontwikkeling en vorstgevoeligheid, maar ook op de ontwikkeling van onkruiden, ziekten en plagen. Minder goede omstandigheden zijn ongunstig voor opkomst en begingroei en kan door extra zaaizaad enigszins worden beperkt. Goede omstandigheden in de tweede helft van oktober vormen de beste uitgangssituatie voor de teelt van wintertarwe. Vroeger zaaien bevordert de opkomst en herfstontwikkeling en zorgt voor dichtere en langere gewassen, maar ook voor onkruidontwikkeling en kans op ziekten en plagen. Zaaien na oktober heeft vaak lagere korrelopbrengsten tot gevolg. 

 

ZIEKTES

Eén van de belangrijke factoren bij tarweteelt is het voorkomen van ziekten en plagen. Tarweteelt op De Meerhof begint daarom met hoogkwalitatief, gecertificeerd en ontsmet zaaigoed. Dat zorgt niet alleen voor hogere opbrengsten maar verkleint ook de kans op een kettingreactie van nieuwe fysio’s, hetgeen ook gevolgen kan hebben voor andere gewassen. Gele roest komt in Flevoland vaak het eerste en meeste voor en kan zich bij een doorbraak snel uitbreiden, waardoor er op die manier een kettingreactie ontstaat. Ook rassenspreiding is één van de opties voor verlaging van de kans op (nieuwe) infecties.

 

OOGSTEN

Tijdens de korrelvulling loopt het vochtgehalte in de korrel geleidelijk op. Als daarna het vochtgehalte zakt tot 35 à 40%, stopt de korrelvulling en vindt verdere indroging van de korrel plaats, de afrijping. Normaal gesproken duurt het nog 1 tot 1½ week, voordat het gewas kan worden geoogst. De korrel heeft dan een vochtpercentage van rond de 16%. De tarwe is dan van groen naar geel verkleurd en de aren knikken (het buigen). 

Om korrelverliezen en problemen met schot te voorkomen wordt op tijd met het oogsten begonnen. Schot is de kieming van de korrel in de aar en ontstaat door natte omstandigheden. Bij hoog-productieve tarwegewassen verloopt het indrogen van de korrel niet altijd gelijk met het afrijpen van het stro. 

De maaidorser maait het graan en slaat de korrel los welk vervolgens wordt afgevoerd. Na de oogst blijven de stoppels en het stro achter en meestal verhakseld. Soms wordt er daarna mest op het land uitgereden en een groenbemester gezaaid om de bodemconditie te verbeteren en het organische stofgehalte in de bodem te verhogen. Dit zorgt voor een gezondere grond, een rijker bodemleven en een betere bewerkbaarheid. 

 

De halmen zijn vlak voor de oogst het langst en topzwaar waardoor er een grotere kans is op neerslaan van het graan. Dit kan worden veroorzaakt door te zware bemesting maar ook door windvlagen in combinatie met zware regenval. Gelegerd tarwe is moeilijker te oogsten, sneller vochtig en de aren kunnen makkelijk door duiven, muizen, eenden etc. worden gegeten.

 

BEWARING

De tarwekorrels worden na de oogst gedurende kortere of langere tijd opgeslagen, waarbij de eigenschappen zoveel mogelijk worden behouden. Omdat het een levend organisme is vindt er ook stofwisseling plaats…, de ademhaling, een proces waarbij warmte en water vrijkomt. Deze is geringer, naarmate de korrel droger en de bewaartemperatuur lager is. Bij een sterke ademhaling wordt de atmosfeer tussen de zaden warmer en vochtiger waardoor eenvoudig broei en/of schimmelvorming kan optreden. Door onrijpe korrels, korrelbeschadiging en onzuiverheden kan dit proces nog worden versterkt. Vooral onzuiverheden, zoals groene, levende plantendelen van onkruiden, ondervrucht en halm, hebben vaak een hoog vochtgehalte en worden daarom  voor het drogen door een goede voorreiniging verwijderd.

Partijen met een vochtgehalte lager dan 15 % zijn goed te bewaren. Bij hogere vochtgehaltes neemt de bewaarduur snel af en is er een grotere kans op schimmelvorming. Voor bewaring gedurende lange tijd zijn lage bewaartemperaturen en lage vochtgehalten noodzakelijk. Drogen kan langzaam met koude lucht of snel met verwarmde lucht. Deze afweging staat duidelijk in relatie tot de eindbestemming.

 

 

Bron: Onder andere wageningenur.nl


DAAR ZIJN WIJ NU MEE BEZIG:

De bloesem wordt gesproeid om schade door nachtvorst tegen te gaan.

 Voorjaar. De voorbereidingen voor het planten en zaaien zijn in volle gang. 

ZO KUNT U ONS BEREIKEN:

V.O.F. De Meerhof

Akkerbouw- en Fruitteeltbedrijf 

 

Rendierweg 38, 8251 PD Dronten

0321 38 00 31

info@demeerhof.nl

 

Greeke Robaard - Naber

06 22 48 65 29

greeke@demeerhof.nl

 

Aard Robaard

06 51 39 24 67

aard@demeerhof.nl


© Copyright: De Meerhof 2019 | Design: WIM design  |  Disclaimer >  |